| WOLSEND, naam, onder welken het d. Woudsend, prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Wymbritseradeel, wel eens voorkomt. Zie Woudsend.
WOUDSEND of Woltsend, in het oud-Friesch Waulseyndra, d., prov. Friesland, kw. Westergoo, griet. Wymbritseradeel, arr., kant. en 2 u. Z. Z. W. van Sneek, aan de vaart van Sneek naar Slooten en de Lemmer of Noorder-Ee.
Het ontleent zijnen naam van zijne ligging, aan het einde van het meer de Fluessen, welke waterplas, naar hetgeen oude kronijkschrijvers opgeven, in overoude tijden, een uitgebreid woud of bosch, genaamd de Groote-Kreil, zou geweest zijn, waarin zich auer-ossen ophielden, en alwaar de Friesche koningen en grooten zich met jagen plegen te vermaken, doch dat naderhand, men weet niet door welk toeval, uitgebrand en in een meer zou veranderd zijn. De koningen van Stavoren hadden, 1/2 u. van hier, een jagtslot, waar thans het d. Heeg staat, waarvan dit dorp ook zijnen naam ontleent; want een heegh beteekent, in het Oud-Saksische en West-Gotische taal, een jagteigendom, waarop een Heerschap alleen het regt heeft enz., zoo als heden de oude jagteigendommen werkelijk in eenige oorden van Duitschland een heegh, geheege, hdgh genoemd worden. Woudsend heeft het Heegermeer ten N. W., het Slootermeer ten Z., de Wymerts ten N., de Welle ten N. O. en het Koevordermeer verder oostwaarts. Van daar, dat alle schepen, die van Sneek en Ylst naar Slooten, de Lemmer of de Kuinre bestemd zijn, deze plaats voorbijvaren en veelal aandoen, welke menigvuldige doortogt deze aanzienlijke plaats zeer veel levendigheid bijzet. Het is een digt gebouwd dorp, dat nette en zindelijke, met Friesche klinkerts aan den kant geplaveide, straten voor voetgangers heeft: want voor rijtuigen was dit d. steeds ontoegankelijk, uithoofde van de breede wateren, waarvan het omgeven is. Men telt er 250 h. en 1410 inw., onder welke aanzienlijke en vermogende lieden; ook vindt men er 2 scheepstimmerwerven, 2 houtzaagmolens, 1 lijnbaan, waarop ook patenttouw geslagen wordt, door eene machine, die met een paard gedreven wordt, 1 zeilmakerij en taanderij, 3 mast- en blokmakerijen, smederijen, 2 leerlooijerijen, 2 wolkammerijen en 1 rogge-, weit- en pelmolen; voorts schippers, op onderscheidene binnenlandsche plaatsen geregeld varende, zoo als, onder anderen, eenen beurtman op Amsterdam. Men drijft er ook veel handel in Oostzeesche produkten, klaphout voor kuipers, hennep, lijnzaad en dergelijken. Voor eenige jaren had men er nog eene zoutziederij, die nu vervallen is. Vroeger woonden hier ook vele fluit- en kofschippers, waarvan de eigenaars of reeders grootendeels te Woudsend te huis behoorden, en waardoor velen een groot vermogen gewonnen hebben, vooral in den oorlog tusschen Frankrijk en Engeland, van het jaar 1756 tot 1764; doch ook velen hebben daarna, door de trouweloosheid der Engelschen, groote verliezen geleden. Dit middel van vertier is vervolgens door bekende oorzaken allengs zeer verminderd. Er bestond evenwel nog onlangs eene aanzienlijke reederij voor kof- en andere schepen, behoorende er, op 1 Januarij 1849, nog 12 zeeschepen hier thuis, doch deze reederij is dezer dagen weder ontbonden en de schepen zijn verkocht.
Woudsend is het eenige dorp in de grietenij Wymbritseradeel, dat met het regt van eene waag is begiftigd geworden; doch het voormalige waaggebouw, aan de westzijde van de Burenstraat, is thans een partikulier huis, nu het Oude-Heeren-Loogement genoemd, in welks gevel men een steen ziet, met opschrift, balans en schalen. Thans heeft Woudsend nog eene eigen vleeschhal. Ook heeft men hier eene jaarmarkt in de maand October, welk voorregt deze plaats heeft met de dorpen Heeg en Nieuwland, buiten welke in de grietenij Wymbritseradeel geene jaarmarkten gehouden worden.
De Herv., die er 970 in getal zijn, behooren tot de gem. Woudsend-Ypecolsga-Smallebrugge-en-Indijk. De kerk, welke hier vóór de Reformatie stond, was aan den H. Aartsengel Michael toegewijd. zij bragt 100 goudg. (150 guld.) op, en daar was eene prebende van 60 dergelijke guldens (90 guld.). Volgens een handschrift der Utrechtsche kerk werd de pastorij door eenen Monnik bekleed, welke ongetwijfeld een Karmeliet zal zijn geweest, want te Woudsend heeft, zoo als wij later zien zullen, doordezen een Karmelieter klooster gestaan. Deze kerk is in het jaar 1660 vervangen door een nieuwe, boven wier ingang men de wapens van Burmania en Juckema vond, en daaronder dit versje:
Cum Duco major Burmania, rexerut anno:
Praeturam tredecim, tune sacra structa somus.
Filius en Duco junior, cui quatuor anni
Is primum laterem fundat et aptat opus.
Huie Eduarda fuit de stemmate Juckama mater,
Progeniem claram Cambur ab arce gerens.
(d.i. Toen Duco Burmania, de oude, dertien jaren Grietman was geweest, is dit heilig huis gebouwd. Duco de Jonge, zijn zoon, vier jaren oud, legde de eersten steen en bereidde het werk toe; de moeder van deze laatsten was Eduarda, uit de stam van Juckema, een beroemd geslacht, dat het slot Cammingha tot stamhuis had.). Aangezien deze kerk, door verzakking onbruikbaar geworden was, heeft men, in 1837, eene nieuwe gebouwd, waartoe uit het fonds voor noodlijdende kerken 2000 gulden verleend is. Het leggen van den eersten steen aan dit gebouw, hetwelk een plegtig feest opleverde, is gedenkwaardig gemaakt, doordien bij die gelegenheid, daaraan als renteloos voorschot, door eenige godsdienstvrienden, verstrekt, welk voorbeeld naderhand door anderen vrijwillig gevolgd is. Deze kerk is een kruisgebouw, met een uitmuntend orgel en eenen koepeltoren op vrij hooge kolommen en van de klok en uurwerk voorzien.
De Doopsgez., van welke men er 55 lelt, maken, met die uit de dorpen Ypekolsga, Smallebrugge en Indijk, eene gem. uit, welke 100 zielen, en onder deze ongeveer 50 Ledematen telt. Wie de eerste Leeraar in deze gem. geweest is, kan men niet met zekerheid opgeven. De eerste, van wien de oude papieren der gem. melding maken, is Arjen Klazes, die hier in 1682 Leeraar werd en den 11 Augustus 1727 overleed. Niet onwaarschijnlijk is het, dat hij de eerste was. Vroeger echter heeft er eene gem. bestaan in Ypekolsga. De kerk, staande aan de westzijde van het dorp, is een klein, doch net gebouw, zonder toren of orgel.
De R. K., die er 300 in getal zijn, maken met die van Ypekolsga, Smallebrugge en Indijk, eene stat. uit, welke 385 zielen, en onder deze ongeveer 200 Communikanten telt, en door eenen Pastoor bediend wordt. De kerk, aan den H. Michael toegewijd, is een sierlijk langwerpig gebouw, zonder toren, doch met een orgel en eenen zeer fraaijen predikstoel, welks snijwerk toont, dat de onbekend vervaardiger een bekwaam beeldsnijder was. Elk der drie altaren prijkt met eene schilderij van den beroemden Kunstschilder Otto de Boer, die den 11 Julij 1797 te Woudsend geboren is; vooral wordt door de kunstkenners het groote altaarstuk, de Opwekking van Lazerus, bewonderd.
De dorpschool wordt gemiddeld door een getal van 180 leerlingen bezocht.
Men heeft er een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, hetwelk den 4 September 1835 opgerigt is en 16 Leden telt.
Ten jare 1816 werd alhier eene Maatschappij ter onderlingen verzekering voor rand, door sommige ingezetenen opgerigt. In den beginne bepaalde deze Maatschappij zich alleen tot de grietenij Wymbritseradeel, doch later, ten gevolge van den bijval, die het publiek aan deze inrigting schonk, oordeelde men ze algemeener te moeten maken; zoodat zij thans over Friesland en naburige provinciën uitstrekt, terwijl ze reeds tot een kapitaal van tusschen 30 a 40,000,000 guld. is geklommen, met tien duizend deelhebbers. De oorzaak dezer opklimming en het belang, dat men in deze Maatschappij stelt, is hoofdzakelijk te vinden in de openbaarheid van het beheer, daar ieder deelgenoot jaarlijks in de gelegenheid wordt gesteld, om, tot in de minste bijzonderheden, inzage te nemen van de gewonen administratie, welke geheel verantwoordelijk is, en waarbij alle speculatiegeest of mogelijkheid tot buitengewoon winstbejag is uitgesloten; terwijl een naauwkeurig toezigt en jaarlijksche herziening der verzekerde voorwerpen, niet weinig toebrengen, om kwade praktijken te weren. De vorm van het bestuur, sedert twee en dertig jaren, door den Heer Age Hylkes Tromp, als Directeur-Boekhouder, gevoerd, is proefhouden en eenvoudig.
Onder de merkwaardige personen te Woudsend geboren, behooren genoemd te worden Tiete Solkes Tromp, in leven Vice-President van het Provinciaal Geregtshof van Friesland en Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal, geb. 25 Februarij 1786, † 17 December 1844. Hij behoorde tot die achtenswaardige en werkzame familie Tromp, welke sedert eene reeks van jaren, tot nu toe, in Woudsend gevestigd, door uitgebreiden handel en onderscheidene fabrijken, zoo veel heeft bijgedragen tot den bloei en de welvaart van dit dorp.
Er bestond hier vroeger een Karmeliter-klooster, aan de Maagd Maria toegewijd. Het werd in 1337 afgebrand, doch spoedig weder opgebouwd, zoodat het in 1339 reeds voltooid was. Omstreeks 1490 had het veel van overstromingen te lijden, maar werd telkens weder hersteld. later nam het zoodanig in bloei toe, dat het, met verlof van Utrechts Bisschop en met goedkeuring van den Proost en Aartsdiaken der St. Janskerk aldaar, goederen afstond en daarmede een zusterklooster te Ylst Stichtte. In 1523 deden de Bourgondiërs onder beleid van Jan van Wassenaar en Schenck, in het klooster een blokhuis bouwen, en voorzagen het van eene goede versterking, waarvan het opperbevel toevertrouwd werd aan Jonkheer Douwe van Burmania, hetwelk ten oogmerk had, om de Geldersche krijgslieden, die in Slooten en de Lemmer gelegerd waren, hunne strooperijen te beletten. Uithoofde van den oorlog en het stichten van het Blokhuis, zagen de Nonnen zich verpligt het klooster in het gezegde jaar, voor eenigen tijd te verlaten. Nog stond er bij genoemd gesticht twee sterke huizen of Stinzen, gebouwd tijdens de beroerten der Schieringers en Vetkoopers. een daarvan had tot stichter Wybe Jarichs Jelckama van Akkrum, het andere Bokke Harinxma, uit welke sterkten menigen aanval geschiedde op de schepen, die door deze plaats naar de Lemmer en de Zuiderzee op reis waren. Het klooster stond nog den 16 Augustus 1572, op welken dag de Nonnen er werden uitgezet door den Kapitein der Watergeuzen Jan Bonga, die daags te voren met zijn volk te Slooten was aangekomen. Wanneer het klooster, alsmede de overige gebouwen, gesloopt zijn, is bij gebrek van de noodige narigten niet op te geven.
De kermis valt in den tweeden Woensdag in October.
Bij den watervloed van Februarij 1825, bespeurde men Zaturdags morgens, te zeven ure, te Woudsend, tot aller bevreemding, dat er, in weerwil van den hevigen noordwestenwind, een zeer sterke stroom van den zuidkant of van het Slootermeer liep, waardoor bij de dorpbewoners de vrees voor doorbraak in het Zuiden der provincie ontstond. In den tijd van een half uur nam de kracht van dezen stroom zoo geweldig toe, dat men zich niet meer veilig op het vaarwater de Ee begeven kon. Tusschen 8 en 9 ure zag men door het spoedig wassen van het water de binnenpolders overloopen, terwijl het 4 1/2 palm hoog uit het Slootermeer over de landen rolde; zoodat binnen weinige oogenblikken van alle de polders en omstreken van Woudsend geen plek lands meer zigtbaar was, en de laagste huizen van het dorp, van 5 tot 9 palmen hoog, onder water werden gezet. Deze aanwas duurde tot 2 ure in den volgenden nacht, wanneer het tot de hoogte van bijna ééne el boven het winterwater had bereikt. Niet alleen in de omstreken, maar ook in dit dorp was het kommerlijk gesteld, daar 70 huisgezinnen hunne woningen moesten ontvlugten en een twintigtal op de zolders verblijven.
Door de ziekte die, in 1826, vooral Friesland en Groningen teisterde, verloor dit dorp een achtste zijner bevolking en slechts ééne mensch bleef er geheel vrij van de ziekte.
Terug naar Plaatsnaamverklaring |