↑ Terug naar Oorlogsmonumenten

Pagina afdrukken

Het gevecht bij de Wellebrug

Het Canadese leger was in aantocht om het Noorden van ons land te bevrijden. Bij Meppel, dat op 13 april 1945 werd bevrijd, ging de derde divisie van deze troepenmacht richting Heeren-veen en Leeuwarden, maar een deel van deze divisie sloeg onder Leeuwarden af om Sneek en de Zuidwesthoek te ontzetten. Zij maakten goede voortgang, de bevrijding was in aantocht. Vanuit Londen werden codeberichten uitgezonden waarmee de ondergrondse werd opgeroepen paraat te zijn. Het werd tijd om naar Indijk te gaan en de wapens op te nemen. Op het kerkhof werden de wapens uit het graf gehaald en onder de leden van de N.B.S. (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) verdeeld. Op de avond van zaterdag 14 april ging de groep op verkenning uit. Ze waren naar de uiterste punt van de Gouden Bodem gelopen tot vlak bij het Kruiswater. Op veilige afstand observeerden ze wat er in het dorp gaande was. Ze hoorden wel wat rumoer en zagen veel mensen lopen. Het bleek dat een groepje Duitsers de burgers aanraadde om de ramen open te zetten en zich in veiligheid te stellen, want ze gingen zo dadelijk de brug over de Ee opblazen. Albert Boeijenga werd wakker van al die voorbij-snellende mensen en hoorde rond middernacht de luide knal waarmee de brug de lucht in ging. Langs de Eewal tot en met het Heech Hûs rinkelden de ruiten uit hun sponningen, maar door het correcte optreden der Duitsers bleef het bij deze materiële schade.

Op zondagmorgen 15 april 1945 waren de B.S.’ers al om een uur of elf van de Gouden Bodem op weg gegaan richting Wellebrug. Hun taak was daar eventuele Duitsers tegen te houden en de brug te bezetten zodat de Canadezen er zonder oponthoud overheen zouden kunnen trekken. Daar kwamen ze aan, een groep van een man of twaalf, gekleed in overalls en werkkleding, sommigen met een pet of een hoed op, anderen blootshoofds. Alleen de ORANJE – N.B.S.-band om de linkerarm gaf aan dat het een eenheid van de ondergrondse was. Hun bewapening bestond uit brenguns, geweren, een bazooka en een mitrailleur. Dit groepje, dilettanten eigenlijk, zou het moeten opnemen tegen ervaren soldaten, die misschien niet erg gemotiveerd meer waren, maar wel professioneel. Misschien beseften zij op dat ogenblik nauwelijks wat ze eigenlijk wel aandurfden. Bij hen won de motivatie het verre van hun kennis en ervaring. Bovendien naderden de Canadezen Sneek al en dat gaf hen een gevoel van enorme rugdekking.

Er gingen geruchten dat er een grote groep Duitsers uit Lemmer op komst was en die moesten ze voor zijn. De twee nog bij de brug achtergebleven bewakers kozen het hazepad toen ze de N.B.S.’ers aan zagen komen. Meteen werd de brug geïnspecteerd en bleek er geen springlading te zijn aangebracht. Nadat de brug was afgedraaid, werden de manschappen in drie groepjes verdeeld. De neven Nagelhout en Wigger Atsma installeerden zich met hun stenguns en mitrailleur zo’n vijftig meter westelijk van de brug achter de lage polderdijk. Feike Stegenga, Jaap van der Wal en Tjitze Okma werden naar achter de mesthoop van boer Jan Dijkstra gedirigeerd en de rest van de mannen stelde zich op achter de bomen aan weerszijden van de straatweg, zo dicht mogelijk bij de brug. Achteraf bleek dat Carl aan de verkeerde kant van de straatweg positie had gekozen. Hij was achter een boom aan de rechterkant van de weg gekropen, maar omdat hij zijn linkeroog miste moest hij, om goed te kunnen richten, te ver achter de boom vandaan komen, waardoor hij later in zijn schouder geraakt zou worden.

Een patrouille van een veertigtal Duitsers met zware mitrailleurs naderde en stelde zich op in de bocht van de weg bij de boerderij van Sietse Dijkstra. Hun mitrailleurs droegen ver genoeg om niet dichterbij te hoeven komen. Een aantal van hun scherpschutters sloop wel naderbij. Behoedzaam van boom tot boom oprukkend, konden zij ongemerkt de brug naderen en beschutting vinden achter het brugwachtershuisje. Een enkeling klom in een boom om een goed overzicht te hebben van de plek waarom gestreden ging worden. Spoedig barstte het geweervuur los. Van beide kanten werd er hevig op losgeknald en getracht de tegenstander tot de aftocht te dwingen.

Maar waarom brandde het beste en meest verdragende wapen van de N.B.S.’ers, de mitrailleur, er niet op los? Jacob Nagelhout, die als ex-soldaat het wapen zou bedienen, probeerde wanhopig de trekker over te halen. Waarom wilde het ding nou niet schieten? Wat mankeerde er in hemelsnaam toch aan het wapen? Jacob kroop wat hoger tegen de polderdijk op om te kijken wat er aan de mitrailleur mankeerde en te trachten het mankement te verhelpen. Het werd hem noodlottig, want een Duitser zag zijn kans schoon en schoot vanuit een boom in één keer raak. Wigger, die naast Jappie lag, zag zijn maat ter aarde vallen. Uit zijn halsslagader stroomde het bloed en kleurde het gras rood. Geschrokken trok Wigger Jappie naar beneden en kon alleen nog maar de dood van zijn makker constateren; er kwam geen woord meer over zijn lippen, zij zouden voor altijd zwijgen.

Wigger probeerde nog eens de mitrailleur aan de praat te krijgen, maar ook hem lukte het niet. Met hun stenguns, waarmee ze slechts een vijftigtal meters gericht konden schieten, namen Wigger en de andere Jacob de vijand nog een kwartier lang onder vuur. Ze konden te weinig uitrichten en werden gedwongen zich terug te trekken op de boerderij van Jan Okma.
Achter de mestvaalt van Jan Dijkstra hadden Feike, Jaap en Tjitze een prima uitgangspositie en hielden de Duitsers aan de overkant van de Welle voortdurend onder schot. Jaap had zijn grote hoed met oranje lint even verderop op de mesthoop gelegd en die werd daarmee een gewild doelwit van Duitse kogels. De mannen zelf doken na elk salvo veilig terug achter de mestvaalt, die de vijandelijke kogels prachtig opving. Helaas, hun munitie raakte op, en ook zij moesten zich terugtrekken.

Van de mannen achter de bomen was Carl, gelukkig niet ernstig, door een kogel in zijn schouder geraakt; de anderen bleven ongedeerd. Maar de overmacht bleek te groot en zonder voldoende munitie was de groep gedwongen zich richting Jeltebrug terug te trekken, waar tot hun grote verrassing al de eerste Canadezen waren gearriveerd. Tot hun teleurstelling wilden de Canadezen aanvankelijk niet optrekken naar de Wellebrug omdat hun bewapening te licht zou zijn. Na enig overleg werd toch tot de opmars besloten. De Duitsers zagen de Canadese versterking aankomen en wilden met het onklaar maken van de brug hun aftocht dekken. Omstreeks vijf uur die middag ging de brug de lucht in en ontstond een patstelling. Nadat ook nog een Canadese carrier een voltreffer had gekregen besloot men, mede door de invallende duisternis, de strijd voor vandaag te staken. Morgen zou er wel versterking uit Sneek komen en kon de strijd met meer kans op succes worden voortgezet.

Nadat de volgende ochtend vroeg de versterkingen waren aangekomen, werd de strijd hervat. De hele dag regende het van weerskanten kogels. Johannes Dijkstra werd juist aan een oor geraakt, enkele dieren in het weiland werden getroffen, maar wat erger was, de boerderij van Jan Dijkstra werd ook geraakt en ging in vlammen op. De hele dag waren er zware gevechten en de Woudsender BS’ers deden dapper mee. Tegen de avond kwamen de Canadezen opzetten met tanks die van vlammenwerpers waren voorzien. Grote vuurstoten schoten over de Welle heen om de Duitsers letterlijk weg te branden.

Vanaf het terrein van de zuivelfabriek stonden vele Woudsenders gespannen toe te kijken en menigeen heeft het beeld van dat golvend vuur nog op het netvlies staan. Het was ook zo’n verwarrende dag. Hoe zou dit allemaal aflopen, de bevrijding leek zo nabij maar de gevechten duurden tergend lang.
Intussen was de avond gevallen en zweeg het geschut bij de Wellebrug. De Woudsenders zouden nog een lange, bange nacht op hun bevrijding moeten wachten. Want dat morgen de beslissende slag te verwachten was, stond voor de meesten wel vast. Het bleef vreemd rustig die nacht. Zo nu en dan werd de hemel verlicht door een lichtkogel, maar schieten hoorde men niet meer. Bij het krieken van de dag bleken de Duitsers de aftocht te hebben geblazen en naar Lemmer te zijn vertrokken. De BS’ers liepen naar Woudsend om daar de orde te handhaven en de Canadezen konden oprukken om de vijand verder te verdrijven.

De gevechten bij de Wellebrug zouden aan een twintigtal Duitsers het leven hebben gekost. Over verliezen aan Canadese zijde heb ik niets gehoord of gelezen, zodat we moeten aannemen dat Jacob Cathr. Nagelhout het enige slachtoffer aan de geallieerde kant is geweest. Zijn mitrailleur had elke dienst geweigerd omdat de boorgaten in het mechanisme van het wapen niet goed waren schoongemaakt en nog vol vet bleken te zitten, toen de Canadezen de volgende dag het wapen demonteerden om de oorzaak van de weigering te achterhalen. Het gevecht bij de Wellebrug bleek zowel het hoogtepunt als het dieptepunt in het bestaan der Woudsender BS’ers te zijn geweest. De bevrijding van Woudsend was helaas ten koste gegaan van het kostbare bloed van een van haar jonge inwoners. Jacob Nagelhout overleed op zijn 28ste verjaardag en werd begraven op de R.K. begraafplaats in Sneek.

Verkorte versie van het verhaal van Jan J. de Vries, zoals dat is opgenomen in het oorlogsboek ‘Woudsend en Woudsenders in Oorlog en Verzet’ (1995).

Permanente koppeling naar dit artikel: http://www.woudsendonline.nl/dorp/bezienswaardig/oorlogsmonumenten/het-gevecht-bij-de-wellebrug